Levenslang, het doopsel

iDevice-pictogram Leesactiviteit

Geboren worden is de eerste gebeurtenis in het leven waaraan alle godsdiensten speciaal aandacht schenken. De geboorterituelen herinneren volwassenen eraan dat er mensen waren die zoveel van ons hielden toen we geboren werden, dat ze ons opgenomen hebben in hun familie. Het tweede wat godsdiensten doen, is de baby opnemen in de religieuze gemeenschap. Er zijn ook veel godsdiensten die dingen doen om de baby enkele dagen voor onheil te bewaren, tot Hij, een naam gekregen heeft. Men wacht enkele dagen met het geven van een naam, tot men ziet dat de baby gezond is. Men wil geen groot feest geven voor de naamgeving van de baby en dan ontdekken dat het kind niet blijft leven.
De wachttijd wordt gevuld met allerlei rituelen. Godsdiensten hebben manieren om ons te helpen met dingen om te gaan die we niet begrijpen. Een van die dingen is waarom de ene baby gezond is bij de geboorte ende andere ziek is en sterft. Er zijn enkele oeroude rituelen om de baby's te beschermen. Joden knopen een rood lint rond de wieg van de baby. Chinese boeddhisten hangen een stuk rauwe gember aan de deur en binden een amulet van een boeddhistische tempel rond de nek van de baby. De moeder brandt wierook opdat er niets met de baby zou gebeuren. In Japan gaan moeders ongeveer vier maanden voor de bevalling naar een Shinto tempel. Daar voeren ze de Iwataobi ceremonie uit om de baby te beschermen tegen kwade geesten. Het Shintoïsme leert dat de ziel van de baby rond deze tijd in het lichaam van de baby gaat wonen. In die ceremonie bindt de moeder een stuk zijden stof rond haar middel. In het hindoeïsme houdt de vader de baby vast en fluistert een mantra in het oor van de baby. dat is een heilige spreuk die de baby moet beschermen. Een andere reden om te wachten voor men een naam geeft, is dat er een groot verschil is tussen geboren worden en opgenomen worden in een godsdienst. Door de geboorte wordt men automatisch lid van een familie, maar lid worden van een godsdienst moet dan nog gebeuren. Soms worden mensen lid van een godsdienst als ze volwassen zijn, maar vaak worden ze lid als baby. Geboren worden en lid worden van een godsdienst is dus niet hetzelfde. Door de geboorte krijgt men leven, maar geen levenswijze.
In Zuioost-Azië doen de boeddhisten een beroep op een astroloog voor de ceremonie van de naamgeving. Hindoes wrijven een mengsel van ghee over de tong van de baby. Ghee is een soort boter met honing. De lippen en de tong van de baby aanraken met iets zoets, is een gebruik dat ook in andere godsdiensten voorkomt. In het jodendom is het gebruikelijk de baby wat zoete wijn te geven bij de naamgeving. Die zoete wijn symboliseert het goede leven dat men voor het kind aan God vraagt.
In Japan zijn er vier ceremonies na de geboorte van een kind. Ze hebben plaats op de avond van de geboorte en op de avonden van de derde, de vijfde en de zevende dag. Op de 8ste dag is er een feest. Dan krijgt de baby een naam van de peter of meter (peetvader of peetmoeder). Peters en meters komen in veel godsdiensten voor. Bij christenen heet de plechtigheid van de naamgeving het doopsel. Door het doopsel wordt iemand opgenomen in de christelijke gemeenschap. Bij de doop wordt de dopeling ondergedompeld in het water of giet men driemaal wat water over het hoofd van de dopeling. Voor christenen is het water een teken dat de zonden door Jezus weggewassen zijn. De vader en de moeder van dat kind gaan samen met de peter en meter en met familieleden en vrienden naar de kerk. De priester of de voorganger bidt, leest uit de bijbel en vraagt aan de ouders welke naam zij aan het kind willen geven.
Bij joden en moslims worden alle jongetjes besneden. Dat betekent dat de voorhuid, die de top van de penis bedekt, weggenomen wordt. Dat gebruik bestaat ook bij enkele Afrikaanse stammen en bij de Polynesiërs. De oude Maya's en de Aztekenin Peru en Mexico kenden ook de besnijdenis en sommige Amerikaanse indianen doen het nog steeds. De joden hebben de besnijdenisplechtigheid die ze brit milah noemen. In het zeventiende hoofdstuk van het boek Genesis zegt God tegen Abraham dat hij zichzelf en zijn zoon Isaak moet besnijden, en dat alle joden hun zonen moeten laten besnijden wanneer ze 8 dagen oud zijn. Voor joden is de besnijdenis het teken van het eeuwige verbond tussen God en het joodse volk. Het is een teken van verbondenheid tussen elk joods jongetje dat geboren wordt en Abraham, die eeuwen geleden geboren werd.
De persoon die de besnijdenis uitvoert, noemt men moheel. De 8ste dag na de geboorte gaat de moheel naar het huis van de pasgeboren zoon. Als de baby ziek is, wordt de besnijdenis uitgesteld tot hij genezen is. De grootvader brengt de baby op een kussen naar de moheel. Na de besnijden is geeft men de baby een Hebreeuwse naam. Daarna draagt men hem naar de moeder, die in een andere kamer op hem wacht.

 

Transparant3, p. 43-45


Opdracht:

Nadat je de tekst gelezen hebt, neem je een cursusblad.
Maak een schema over het doopsel waarin vooral het christendom en het jodendom centraal staan.
Noteer voor elke godsdienst hoe de naamgeving verloopt.